Terugkeer.
De teruggekeerde gardes d'honneur, de zonen van de
welgestelden, werden ontvangen met vlaggen, muziek
en erebogen. Zij kregen de toezegging dat zij niet
zouden worden opgeroepen voor de nieuwe vaderlandse
Nationale Militie.
Anders verliep het Jan Soldaat. Als hij pech had -
en dat had hij vaak - dan werd hij aan de grenzen
opgewacht door de sergeanten van die Nationale
Militie. Dikwijls werd hij van desertie beschuldigd.
Ook al was hij in het bezit van een Frans militair
paspoort als bewijs dat hij op rechtmatige wijze uit
het Franse leger of de marine was ontslagen. Hij
werd voor de keus gesteld: dienst nemen in de
Nationale Militie met als beloning een pot snert of
de gevangenis in.
Was hij daarna nog niet murw,
dan werd hij dat wel na met de blote billen over een
balk te zijn gelegd en door een sergeant met een
stok bewerkt.
Dat alles met verwijzing naar een besluit van de
souvereine vorst Willem I dat teruggekeerde soldaten
geen vrijstelling van dienstneming in de Nederlandse
krijgsmacht hadden. Dat was iets vooruitlopend op
het desbetreffend Koninklijk Besluit. Dat werd pas
op 18 september 1814 genomen toen de meeste nog
levende Nederlandse militairen in Franse krijgsmacht
al waren teruggekeerd. Zoals aangegeven waren de
vroegere gardes d'honneur vrijgesteld. Per slot van
rekening hadden die veel geleden. (zie brief
van Georg Hendrik van Boelens)